New York, New York – Niet bij te benen…!

Amerika
door Elske Doets

Als reisondernemer en Amerika-specialist kom ik elk jaar in New York. In de eerste plaats om zaken te doen, maar bijna net zo belangrijk is mijn interesse in deze bruisende metropool zèlf. Steeds wil ik met eigen ogen zien wat er in New York gebeurt, hoe snel de stad zich vernieuwt, en waarmee, welke trends er gaande zijn en hoe de verschillende buurten zich ontwikkelen, economisch en cultureel. Nergens krijg je grootsteedse dynamiek en vernieuwing zó energiek en ‘in your face’ gepresenteerd.

New York is niet alleen een ijkpunt voor mij, maar voor de hele wereld, denk ik.

Tijdens mijn recente bezoek aan ‘The Big Apple’ was ik het meest onder de indruk van de Hudson Yards, een gloednieuwe stad in een stad. Dat Hudson Yards bovenop een spoorweg emplacement gebouwd is, aan het einde van de ‘High Line’ (een hip, verhoogd park), geeft meteen al aan hoe bijzonder deze plek is. Eén van de futuristische wolkenkrabbers in Hudson Yards springt eruit met een werkelijk magisch, driehoekig observatiedek, ‘The Edge’ genaamd. Als je van buiten naar het gebouw kijkt, valt je een enorm uitsteeksel op; het is net alsof er bovenin het gebouw een enorme geodriehoek in de glazen buitenwand wordt geschoven. ‘The Edge’ gaat pas eind 2019 open, maar wat een bouwkundig vernuft! En wat een sensatie om daar straks over de stad uit te kijken!



Minstens zo fantasierijk is ‘Vessel’, een reusachtige, transparante, koperkleurige ‘vaas’, vlakbij de ingang van Hudson Yards. In ‘Vessel’ kun je maar liefst 1,5 kilometer rondlopen, steeds trapje op trapje af. Vooral van buitenaf ervoer ik dit unieke bouwwerk als een belevenis: je fantasie gaat alle kanten op. Is het een omgekeerde Bijenkorf? Een parodie op de bouwstijl van het ‘Guggenheim’? Of zat de architect simpelweg aan het lachgas? En naast ‘Vessel’ vind je nóg een adembenemend gebouw, ‘The Shed’, waarvan alleen al de dakconstructie een verhaal op zich is. Wat me aanspreekt aan deze nieuwe gebouwen is dat ze op een Amerikaanse manier ‘radicaal’ zijn, niet terugschrikken voor het grote gebaar, maar tegelijk ook inclusiviteit uitstralen (‘kunst en genieten moet voor iedereen zijn’).



Het fijne was dat al die nieuwe ‘must do’s’ me tegelijkertijd stimuleerden om de ‘oude’ iconen, het Guggenheim-museum en Carnegie Hall weer te bezoeken. In het Guggenheim liep ik tegen een fantastische tentoonstelling aan van de Zweedse kunstenares Hilma af Klint (1862-1944). Een absoluut hoogtepunt; ga erheen! Vooral Hilma’s latere, meer abstracte werk – een spannende mix van pasteltinten en wiskundige figuren – heeft een bijna visionaire kracht. En was daarenboven perfect in harmonie met de stijl van het museum. 


Min of meer blind kocht ik later een kaartje voor Carnegie en ineens keek ik naar zo’n 150 uit volle borst zingende scholieren! En nóg weer later verraste een levendige latin band mij in Django, de kelderclub van het Roxy Hotel: 14 ingespeelde musici die de pannen van het dak spelen. Wát een swing!

New York blijft boeien, bijbenen is onmogelijk.

Gelukkig maar.