Dag 16

Death Valley

Hallo,

om jullie maar niet teleur te stellen vandaag wederom een blogje. We zijn na een rit van 2,5 uur aangekomen in Death Valley, het grootste Nationale park van de 46 staten van de VS. Het park bestaat uit een woestijn die omringt word door hoge bergketens met in het midden een zoutvlakte.

Na aangekomen te zijn, eerst richting onze ranch (hotel) gereden. De ranch ligt in het nationale park in het plaatsje Furnace Creek (hier kan de temperatuur in de zomer de 52 graden overschrijden!). Het enige wat je hier verder nog hebt buiten het resort is een paar camperplaatsen en een tankstation (welke overigens woekerprijzen rekent). Binnen het resort zitten 3 restaurants en een klein winkeltje, wederom met woekerprijzen. Dichtstbijzijnde alternatief is dan ook 63 mijl rijden.

Aangekomen bij de ranch wisten we natuurlijk niet waar we moesten inchecken, dus na een beetje rondgewandeld te hebben zag Danjel een klein aanplakbiljet met daarop een ‘Moonlight ride’ erop (en ja dit heeft ze onthouden, en komen we zo op terug). Na gevonden te hebben waar we moesten inchecken eventjes richting de kamer om wat anders aan te trekken en op safari te gaan. Alleen zijn onze kamers vlak bij de Stables, en vanwege het aanplakbiljet moesten wij hier eventjes langslopen omdat iemand al een tijd lang iets met paarden wilde doen. Voor die avond was het nog mogelijk om een rondrit van een uur te doen bij maanlicht, wat we natuurlijk geboekt hebben (jawel ik weet dat ik gezegd heb dat ik nooit meer op een paard ging zitten).
Na dit gedaan te hebben, en daarmee ook timings meegekregen te hebben omdat we ons om 5.30 pm moesten melden, op safari. Het eerste wat we zouden gaan doen was de Artist Drive: een korte route door het gebied waar je meerdere kleuren van de bergen te zien kreeg en waar je dicht langs rotspartijen enzo reed. Na hier doorheen gereden te hebben zijn we naar de Devils Golf Course gegaan. Dit is een stuk van de zoutvlakte die uit allemaal grote brokken bestond waardoor het een onherbergzaam iets geworden is (net omgeploegd land wat bevroren is geweest). Hierna op naar het laagste punt in de VS, het Badwater Basin. Dit is de daadwerkelijke zoutvlakte, en deze ligt 85.5 meter onder zeeniveau waarmee het het laagste punt in de VS is. Erbij ligt ook een kleine plas waar een of andere vage slak in leeft die alleen hier leeft. Het water in dit plasje blijft zichzelf vullen door het grondwater. Het is heel uniek dat er op zo’n laag niveau een zoutvlakte ontstaat, dit kan alleen door een heel droog klimaat. Als je dat namelijk niet hebt, dan vult het gebied zich vanzelf met grondwater en krijg je een meer. Over de zoutvlakte hebben we ook nog een stuk gelopen, heel apart aangezien je net over sneeuw loopt. Alleen gooit de temperatuur wat roet in het eten aangezien het 30 graden is en totaal geen zuchtje wind.

Na dit gezien te hebben (en alles weer onder het zweet) zitten we weer in de auto richting Dante’s View, een uitkijkpunt op 1500 feet hoogte vanwaar je een mooi uitzicht zou hebben. Dit was natuurlijk wel weer ruim een half uur sturen. En op een of andere manier hadden we daar beide niet zo’n zin in vandaag. Maar toch, die kant maar op, en dat was maar goed ook want het uitzicht was fenominaal. Je had vanaf dit punt een super uitzicht over heel Death Valley en vanaf hier kon je pas goed zien hoe groot en apart die zoutvlakte eigenlijk is. Ook liepen hier een soort van kleine eekhoorntjes. Door de telefoon op de selfiestick te zetten en die stil te houden, lokte we die beestjes die dan mega grappig voor de camera kwamen staan. Ook stonden ze gewoon naast je voeten. Heel grappig.

Hierna moesten we nog maar een paar dingen afwerken van onze to-do list voor vandaag: een oude ruïne waar ze in 1882 Borax hebben gedolven, en Salt Creek, waar de enige vissen leven die in 4x zo zout water als zeewater kunnen leven (de pubfish). Dus wederom weer bijna een half uur in de auto. naar de ruïne. Hier aangekomen eventjes rond gekeken en ik moet zeggen dat Danjel dat interessanter vindt dan dat ik dat vind. Daarna weer in de auto naar Salt Creek, een rit van 20 minuten die ons zeker bespaard had kunnen blijven. Hier was helemaal niets te zien, geen pubfish of andere vissen, alleen een klein stroompje. Na dit uitstapje zijn we in de auto gesprongen voor onze date van deze avond: paarden.

Afijn, omgekleed in lange broek, truitje mee, richting de Stable. Hier aangekomen moesten we natuurlijk een helmpie op die ons overigens mega goed stond. Daarna werden de paarden uitgereikt. Danjel kreeg een normale, en ik kreeg natuurlijk weer de grootste die ze hadden, net een reuzenpaard. Maar oké, ik zat erop en we gingen onderweg. Direct had ik al de AP uitgevonden en ging het van een leien dakje. Van achteren hoorde ik een hoop gerotzooi, scheen dat iemand haar paard honger had, deze deed bij ieder bosje een kleine lunchpauze inlassen waardoor Danjel constant een gevecht met dat beest had. Na ongeveer 500 meter werd er ook een paardenwissel gedaan met de begeleider. Hierna ging het gelukkig wel goed. Het was wel een mooie rit, door het stof wat ze opwierpen was het net alsof je over de mist reed. Gelukkig werd er niet gerend ofzo dus bleef mijn AP goed werken. Het paard van Danjel kreeg inmiddels ook weer honger dus had ze het laatste stuk haar handen hier ook weer vol aan.
Na dit overleeft te hebben, moesten we ons omkleden. Want het is wasdag, jeejjj, dus met de waszakjes richting de laundromat. Hier snel onze spulletjes erin gedaan en een hapje gaan eten. Toen we richting het restaurant liepen hoorden we de coyotes huilen. Best apart om dat te horen.

Nu ga ik de was eventjes ophalen en daarna lekker slapen. Morgen staat er een rit van 5.5 uur op het programma richting Sequoia National Park. Vanaf daar moeten we nog een kleine 2 uur richting ons hotel, een drukke dag dus.